"Het mysterie" van de brandstofloze motor  
Bron: Het Technologietijschrift De Ingenieur, nummer 10/11, jaargang 124 van 29 juni 2012 Tekst: ing. Paul Schilperood

 DE FANTASTISCHE VINDING VAN DE FRIES JOHANNES WARDENIER

 GEBAKKENLUCHTMOTOR
 
BINNEN- EN BUITENLAND RAAKTEN IN 1934 IN DE BAN VAN DE FRIES JOHANNES WARDENIER, DIE EEN BRANDSTOFLOZE MOTOR ZOU HEBBEN UITGEVONDEN. EEN PROTOTYPE VAN DE MOTOR, DIE OP GECOMPRIMEERDE LUCHT ZOU WERKEN, KON WARDENIER ECHTER NIET LATEN ZIEN. LIET DE OLIE-INDUSTRIE DEZE MOTOR WERKELIJK VERDWIJNEN EN WARDENIER IN EEN PSYCHIATRISCHE INRICHTING OPNEMEN ? OF WAS DE 'FRIESE EDISON' EEN GROTE FANTAST ?

Op internet roept de naam Johannes Wardenier nog altijd emotionele reacties op. Sommige vertellen dat de olie-industrie deze geniale uitvinder buitenspel zette, of dat Philips de motor confisqueerde en Wardenier afkocht. Anderen zeggen de waarheid te weten, maar er onder geen beding over te willen praten. Feit is dat Wardenier het Friese dorp Wolvega eind 1934 in het middelpunt van de binnen- en buitenlandse belangstelling met de claim dat hij een extreem efficïente, benzineloze motor had uitgevonden. De motor kwam er echter nooit en het verhaal nam mythische proporties aan. Voor de waarheid achter het mysterie-Wardenier gaan we terug naar het door de economische depressie zwaar geteisterde Friesland van 1934.

Dat voorjaar kwam er een geruchtenstroom op gang over een jongeman die een revolutionaire motor zou hebben uitgevonden. Een nieuwe motorenfabriek zou duizenden arbeidsloze mensen werk bieden. Wethouder W. Muurling van de gemeente Weststellingwerf zag kansen om Wolvega te veranderen in het 'Eindhoven van het noorden'.

Die jongeman, Johannes Wardenier, kwam in april 1934 bij hem langs en vertelde dat het hem na zes jaar experimenteren was gelukt een motor te ontwikkelen die geen brandstof nodig had. Een werkend prototype zou al klaar zijn. Muurling kreeg al snel groot vertrouwen in Wardenier, die correspondentie met een octrooibureau overlegde en zei twee geldschieters te hebben gevonden. Eind september 1934 stelde Muurling Wardenier vor aan de burgemeester van Wolvega, mr. E.N.W. Maas. De wethouder wist ook de gemeenteraad achter zich te krijgen met de verzekering dat hij de motor had zien draaien: 'Ik kon mijn ogen niet geloven.'

Op donderdagmiddag 1 november 1934 gaven uitvinder, burgemeester en wethouder een persconferentie om het sensationele nieuws te verkondigen. 'Door mij is een vinding gedaan welke een grote ommekeer op motorisch gebied zal veroorzaken', zei Wardenier koeltjes in zijn Friese accent. 'Het is mijn bedoeling omstreeks 1 januari aanstaande een demonstratie te geven met een daarvoor expresselijk gebouwde auto, welke zal worden voortbewogen door een motor die noch door benzine noch andere brandstof hoeft te worden gevoed.' De motor was vervaardigd onder toezicht van rijksingenieurs en er was al 'met succes' in Zwolle mee geëxperimenteerd. 'Zoals de motor thans geconstrueerd is, zal zij drie maanden nacht en dag kunnen lopen zonder dat bijvulling [....] hoeft plaats te hebben'. De 'drijfkracht' en smeerolie voor een auto met zescilindermotor zouden nog geen 25 gulden per jaar kosten. Op het werkingsprincipe was volgens Wardenier al in diverse landen octrooi verleend en 'verschillende onderhandelingen omtrent in de handel brengen zijn gevoerd en in vergevorderd stadium'. Na de Jaarbeurs van het voorjaar 1935 in Utrecht zou het prototype een 'demonstratietocht door geheel Europa' gaan maken en de bruikbaarheid daarvan te tonen.

Johannes Wardenier tijdens een lezing in Utrecht, maart 1935.

In de gloednieuwe fabriek voor automotoren in Wolvega zouden zo'n 13.000 mensen werk vinden. Burgemeester Maas verzekerde de aanwezigen dat de grond voor deze fabriek al beschikbaar was - daarvoor waren aan de lokale boeren grondprijzen tot vierduizend gulden per hectare geboden. Het benodigde kapitaal van dertien miljoen gulden voor het fabrieksgebouw was toegezegd door twee baronnen.

Wardnier liet zelfs blauwdrukken zien voor het fabrieksgebouw van maar liefst 300 m breed, 280 m diep en 30 m hoog. Een tweede fabriek voor stationaire motoren stond gepland in de omgeving van Amsterdam.

Het spectaculaire nieuws ging de wereld rond. Amerikaanse dagbladen schreven over Wardeniers 'powerful automobile motor' en Franse tijdschriften noemden hem 'de Friese Edison'. Auto's reden af en aan, en wie in die eerste novemberweek van 1934 per trein in Wolvega arriveerde, hoorde de conducteur 'Edisontown! Edisontown!'omroepen. Wardenier ontving dagelijks zulke grote stapels brieven en telegrammen met gelukwensen dat hij een persoonlijk secretaris moest aanstellen.

De lokale bevolking wachte in spanning af en zag Wardenier zo nu en dan in een duur pak, continu sigaren rokend, voorbij benen richting gemeentehuis.

Wie was toch deze 'Friese Edison', die een 'wereldrevolutie op het gebied van de motorische beweegkracht' zou hebben bewerkstelligd? Wardenier was een 22 jarige boerenzoon van eenvoudige komaf uit Steenwijkerwold, die in een klein kamertje achter de sigarenwinkel in Wolvega woonde. Hij stond bekend als een stille jongen met weinig vrienden, die moeilijk leerde, maar altijd zat te knutselen of tekenen. Zijn vader dacht dat hij op de ambachtsschool 'waarschijnlijk toch niet mee kon komen' en had Johannes na de lagere school in de leer gedaan bij beschuitfabriek annex bakkerij De Beuk in Tuk. Daar had Wardenier geprobeerd om een inpakmachine voor beschuit te ontwikkelen, die hij later aan de NV Leeuwarder Papierwaren-fabriek aanbood voor het astronomische bedrag van 150.000 gulden. De fabrieksdirecteur wilde de machine eerst weleens zien werken - waarna hij nooit meer iets van Wardenier vernam.

Na dit fiasco verliet Wardenier de bakkerij op zestienjarige leeftijd en trok zich terug in de schuur achter zijn ouderlijk huis. Wat hij daar precies uitspookte, was een raadsel. Hij zei alleen eens tegen zijn boerenvader: 'Als ik dit klaar krieg, dan hoef jou nooit meer te warken.' Zelfs in de commotievolle dagen na de persconferentie bleef de vader sceptisch. Toen hij een kar met knolrapen van het land haalde en een buurman zei dat hij die niet meer nodig had, antwoordde hij koeltjes: 'Ik zal voorlopig mijn kar nog maar laden.'

KRANTEN

Inwoners van Wolvega lezen met grote belangstelling de berichtgeving over de ontwikkeling van Wardeniers motor.

Johannes Wardenier klinkt als een onwaarschijnlijke kandidaat voor het uitvinden van wat haast werd gepresenteerd als een perpetuum mobile, maar volgens het Leeuwarder Nieuwsblad was er 'geen enkele reden om daaraan te twijfelen'. De krant concludeerde op basis van gesprekken met de uitvinder en de autoriteiten dat 'er inderdaad iets op komst was, dat wel eens van wereldschokkende beteekenis zou kunnen blijken' en speculeerde over wat de invloed wel niet zou zijn 'wanneer de benzine haar machtige, allesbeheerschende positie zal moeten afstaan'. De Telegraaf sprak van 'een slechte dag voor Henri Deterding', de directeur van de Koninklijke Shell. Het Algemeen Handelsblad was een stuk terughoudender over de 'fantastische getallen' die in Wolvega werden genoemd: 'Iedereen bouwt luchtkastelen...' De krant stelde zich afwachtend op: 'Want hoe die motor is en wat voor een motor het is, dat laat de uitvinder op het ogenblik niet los.'

Tekening uit het boek 'Het mysterie Wardenier' (1984), die de werking van de motor beoogt uit te leggen.

Vakmensen waren sceptisch. Technoloog ir.W.H. Koster van Groos zei op 3 november tegen de Leeuwarder Courant dat het 'in de practijk uitgesloten' was dat Wardenier zo veel energie kon benutten. En directeur Goedkoop van Kromhout's Motorenfabriek verklaarde in het Leeuwarder Nieuwsblad dat het allemaal erg 'onwaarschijnlijk' was. Hij kreeg zelf ook elke week wel twee uitvinders over de vloer die vervolgens onverrichter zake weer door de fabriekspoort afdropen, omdat hun vinding onbruikbaar bleek. Toch kwamen de wildste geruchten op gang, dat Wardenier 'fabelachtige sommen' waren geboden 'als hij de uitvinding ongedaan maakt'. Vanwege dreigementen die Wardenier zou hebben ontvangen verleende burgemeester Maas hem een wapenvergunning en werd Wardenier bewaakt door de Rijksveldwacht - die hem tevens in de gaten hield.

Op 8 november 1934 vertelde Wardenier eindelijk aan een journalist van het Leeuwarder Nieuwsblad dat de 'drijfkracht' an zijn motor bestaat uit een grote hoeveelheid gecomprimeerde lucht, die vanuit een tank naar de cilinders van de motor wordt geperst. Na de cilinders te zijn gepasseerd stroomt de lucht naar een luchtledige kamer die vacuüm blijft, 'doordat door middel van een zijdelingsche drukcompressor met tegendruk, druk weer naar het reservoir gevoerd wordt vanwaar zij eerst is gekomen'. Wardenier vatte het als volgt samen: 'Er heeft dus een voortdurende circulatie plaats van het reservoir met gecomprimeerde lucht naar de motor en via de luchtkamer naar het reservoir.' Zo zou de motor volgens Wardnier maandenlang continu kunnen draaien voordat de tank weer op druk gebracht hoefde te worden - alsof er nauwelijks energieverlies optreedt. De journalist, die Wardenier bezocht in zijn kleine donkere kamertje achter de sigarenwinkel, beschrijft hem als tenger, vermoeid en zwak - niet bepaald een uitvinderstype. 'Zijn zwarte oogen zien ons doordringend aan, als staren zij naar dingen die verder weg liggen.' Diezelfde dag nog zou alles omslaan.

Wardenier had die avond een onderhoud met de burgemeester en twee veldwachters. Achter gesloten deuren verklaarde hij dat hij nooit contact had gehad met de Octrooiraad in Den Haag en dat de motor ook nooit 'met succes' had proefgedraaid. Wel beweerde Wardenier dat hij de motor bijna bedrijfsklaar had. De spanning liep hoog op. Burgemeester Maas verklaarde Wardenier voor gek en riep de plaatselijke dokter erbij nadat Wardenier met zelfmoord zou hebben gedreigd. Diezelfde avond werd Wardenier in overspannen toestand per auto overgebracht naar de zenuwinrichting van professor Van der Scheer in het Academisch Ziekenhuis van Groningen. Het nieuws ging als een lopend vuurtje door Wolvega. 'Friesland is ontnuchterd!', kopte de Tilburgsche Courant op zaterdag 10 november. Het Nieuwsblad van het Noorden sprak van 'de desillusie van Wolvega en zei dat de brandstofloze motor van Wardenier een 'schepping der fantasie' was.

De sfeer in Wolvega was grimmig dat weekend. Groepjes mensen verzamelden zich en scholden de lokale autoriteiten uit. Nadat de politie een einde maakte aan de straatrelletjes, werd het langzaamaan weer rustig in het afgelegen Friese dorp.

Als het gerucht gaat dat de motor niet bestaat, drijft de bevolking van Wolvega de spot met wethouder Muurling, die beweerde dat hij de motorhad zien draaien.

Wardenier gaf over zijn opname een kwart eeuw later in een radio-interview de volgende lezing: 'In een auto van Philips en met mensen van Philips werd ik naar de kliniek gebracht. [...] Ik zat in Groningen toe iemand de motor kwam halen.' Zijn vader en stiefmoeder waren 'eenvoudige mensen'en 'raakten geïmponeerd door de keurige heren die met een dure auto voorreden'. Volgens Wardenier gaven ze de motor zo mee. 'Ik heb het ding daarna nooit meer teruggezien', aldus de uitvinder in 1959. Hij zinspeelde erop dat de stirlingmotor, die Philips vanaf 1937 decennia gebruikte bij het ontwikkelen, was gebaseerd op zijn luchtmotor. Een blik op de krantenarchieven leert echter dat de motor van Wardenier destijds helemaal niet is verdwenen.

TRAGIKOMEDIE

Inwoners van Wardeniers woonplaats Wolvega wijzen laconiek op de cilinders met lucht op de fietsaanhanger als het gerucht gaat dat de motor nooit bestaan heeft

Anders dan de sensationele berichtgeving in de dagbladen liet een technisch vakblad als De Ingenieur het 'nieuws' over Wardenier destijds volledig links liggen. Het Duitse autovaktijdschrift Motor-Kritik presenteerde het verhaal wel, vol cynisme, als een technische tragikomedie van onze tijd'. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant sprak octrooigemachtigde dr.ir. W. Wessel zich uit over de 'candidaten voor het oplossen van de eeuwigdurende beweging' die hij vaak bij zich kreeg. De grootste moeilijkheid was om deze 'would-be uitvinders' met 'geen enkel begrip van mechanica' ervan te overtuigen dat hun perpetuum mobile niet werkte. 'Nog nimmer is iemand in staat geweest de natuurwetten te veranderen.' Wessel vreesde dat het werkingsprincipe van Wardenier op niets anders berustte dan het brengen van lucht van lage druk naar een ruimte waar een hogere druk heerst. 'Dit nu is zonder het verbruiken van arbeidsvermogen onmogelijke.'

'Would-be uitvinder' Wardenier was na enkele dagen onderzoek in Groningen alweer gekalmeerd en gaf toe dat alles wat hij meende te hebben uitgevonden 'zuivere fantasie' was. Professor Van der Scheer verklaarde dat hij volkomen kon begrijpen dat 'iemand die psychiatrisch niet onderlegd is, door den heer Wardenier geheel kan worden beïnvloed, zoodat hij geloof aandiens verklaringen hecht'. Hij achte het voor de gezondheidstoestand van Wardenier het beste als hij weer 'naar het gewone leven' zou terugkeren. Wardenier werd al na een week, op 16 november 1934, uit het ziekenhuis ontslagen. De kranten stonden nu vol met artikelen over de vraag hoe Wardenier de gemeenteraad zo gek had kunnen maken. De schuldenlast kwam te liggen bij wethouder Muurling, die stellig had beweerd de motor te hebben zien draaien. Nadat een motie van wantrouwen tegen hem werd ingediend, verklaarde Muurling dat hij nog altijd vertrouwen had in Wardenier en dat er wel degelijk een motor bestond. Verdere uitspraken wilde hij alleen in een besloten vergadering doen. Nadat burgemeester Maas dit van de hand wees, riep Muurling: 'Als de motie wordt aangenomen, zeg ik niets meer en dan is de zaak voor Wolvega verloren.' De motie werd aangenomen.

'Alweer.... Wardenier's 'motor'. Is het nu nog niet uit?', kopt op 7 maart 1935 De Tribune, die had vernomen dat Wardenier zijn motor, waarmee slechts enkele maanden eerder zovelen 'zich onsterfelijk en belachelijk hebben gemaakt', op maandagmiddag 11 maart zou demonstreren in café Dragt in Wolvega. Wardenier zag een goudmijntje: hij liet vijftienhonderd toegangsbewijzen á raison van 2,50 gulden drukken. Zelf kwam hij een uur te laat aanzetten en verkondigde dat de demonstratie niet doorging, aangezien de octrooiaanvraag nog liep en de veiligheidswet hem geen vergunning gaf omdat de tank met perslucht niet was gekeurd. Wel mochten de grof betalende bezoekers de 'motor'even bekijken. Wat ze zagen was een groengelakte metalen kist waar een poelie uit stak. Boven op stonden vier buizen die twee aan twee in een dwarsbuis overgingen. Die dwarsbuizen kwamen weer samen in een buis die kon worden verbonden met de luchttank. De kist diende volgens Wardenier 'tot bescherming van de motor' en was tegelijk een oliebad voor de machine. 'Het kan evengoed een leege, blikken bus zijn', schreef De Telegraaf.

Wardenier zat op een houten stoel naast de 'motor' en beantwoordde vragen, terwijl een andere man 'onder heftige bedreigingen' het fotograferen van de kist verbood. In antwoord op het vragenvuur zei Wardenier dat de motor liep op samengeperste lucht naast 'een soort waterstofgas en een soort poeder', afkomstig uit Italië. 'Dit gas zorgt dan voor verwarming en afkoeling van de lucht, waarna de lucht weer in de cilinder wordt gezogen.' De cilinder was volgens Wardenier berekend op 100 bar. Op 30 bar druk zou de motor met een liter van het gasmengsel wel drie maanden onafgebroken werken, maar dit was nog niet in de praktijk geprobeerd.

'Het was een pijnlijke vertooning', schreef het Leeuwarder Nieuwsblad, 'dit zinloos gepraat, tegen de achtergrond van ernst. Dergelijke publieke vertoningen zouden verboden moeten worden. 'Van de oude garde wilde zelfs wethouder Muurling niets meer van Wardenier weten. Volgens eigen zeggen had Wardenier nu een Amerikaanse maatschappij met een miljoenentoezegging achter zich. Ook zouden de militaire attaché van Italië en de Nederlandse vliegtuigfabrikant Frits Koolhoven serieuze belangstelling hebben getoond. Bij navraag wees Koolhoven echter elke betrokkenheid 'zoover van zich af als het vliegveld Waalhaven lang is'. Hij zei: 'Langdurige studie kan iets tot stand brengen, maar dan nog kan men de mechaniek niet verkrachten.'

Anderhalve week na de aanfluiting in Wolvega gaf Wardenier tijdens de Jaarbeurs een 'demonstratie' in het Hotel de l'Europa in Utrecht.

Wardenier geeft op 22 maart 1935 in Utrecht een lezing over zijn motor.

Van proefdraaien kwam het weer niet. Wardenier schermde met dezelfde smoesjes over octrooien. 'Aan die onzin hebben we niets', schreewde een van de aanwezigen. 'Daar hebben we geen gulden voor betaald.' Een ander riep: 'Laat nu die motor maar loopen, dan kunnen we tenminste zien wat er van die verhalen overblijft.' Wardenier wist de menigte nog maar net in bedwang te houden. Onderworpen aan een vragenvuur beweerde hij dat zijn motor een rendement van 80% had en dat de motor naast perslucht ook jaarlijks nog 40 l olie verstookt om het luchtmengsel mee te verwarmen. Na nog een geplande 'demonstratie' op het Domplein in Utrecht, waar Wardenier helemaal niet kwam opdagen, en een mislukt avontuur in Den Haag keerde Wardenier terug naar zijn ouderlijk huis in Steenwijkerwold. Werken deed hij niet, maar dat najaar werd hij wel gesignaleerd in dure pakken en rijdend in zijn eigen Ford. Zou hij dan werkelijk zijn afgekocht door de olie-industrie, zoals boze tongen beweerden?

Als een politierechercheur uit Zwolle op maandagmiddag 25 november 1935 over de Melkmarkt loopt, valt hem een gloednieuwe Ford met Fries kenteken op. Dezelfde auto is vijf dagen eerder door een pastoor als gestolen opgegeven. Als de rechercheur de jonge chauffeur, de zoon van garagehouder Nijholt uit Blesse, ondervraagt, antwoorden deze: 'Dit is de auto van Wardenier.' Terwijl de politie garage Nijholt doorzoekt, komt Wardenier persoonlijk voorrijden in een bruine Fiat - diezelfde middag gestolen van een dominee in Zwolle. Wardenier legt die avond een volledige bekentenis af, waaruit blijkt dat hij ook nog een huurauto in Assen en een motorfiets uit Deventer heeft gestolen. Hij verwisselde de nummerplaten van de auto's en liet ze door garage Nijholt overspuiten. En dure pakken waar hij in loopt? Die had hij samen met een overjas ontvreemd uit een modezaak in Meppel.

Ruim een jaar na de hype rond de 'brandstofloze motor' staan de kranten eind november 1935 bol van de 'wandaden van Wardenier'. Na een voorarrest van ruim vijf maanden staat Wardenier in april 1936 terecht. Hij wordt omschreven als een 'psychisch beklagenswaardige zwakkeling, gegrepen door een onberedeneerde zucht naar grootdoen, waartoe de wereld hem had gedreven'. Het Openbaar Ministerie eist een jaar gevangenisstraf en het onder toezicht stellen van deze 'psychopaat' bij de inrichting Wilhelminahoeve in Groningen gedurende een proeftijd van drie jaar - een roemloos einde voor de 'Friese Edison'.

In 1959, 25 jaar na de beruchte perconferentie, staat Wardenier opnieuw in de belangstelling. Voor de radio profileert hij zich als de miskende uitvinder en als verzetsheld die tijdens de oorlog vastzat in concentratiekamp Buchenwald en in een tuchthuis in Siegburg 'Gemarteld ben ik daar', zei Wardenier. 'Halfdood geslagen hebben ze me. [..] En toen stond daar die onbekende man. Ik moest mee. Eerst naar een hospitaal in Siegburg en enkele maanden later bracht een ambulance mij naar een ziekenhuis in Eindhoven. Daar hoorde ik ook voor het eerst wie mij bevrijd had. Dat was Philips geweest.'

Dit verhaal is later door woordvoerders van Philips bevestigd. Het elektronicaconcern kreeg tijdens de oorlog meermalen de kans om Nederlandse gevangenen te bevrijden. Wardenier zat daarbij. Hij verklaarde in 1959 tegen een journalist van het Nieuwsblad van het Noorden: 'Ja, het principe van de hedendaagse heteluchtmotor is gelijk aan dat van mijn vroegere experimenten.' Aanhangers van Wardenier verspreidden later geruchten dat Philips Wardenier had afgekocht en de tekeningen van zijn luchtmotor in een geheime kluis bewaarde. In werkelijkheid berustte de heteluchtmotor van Philips volledig op het werkingsprincipe van de stirlingmotor, al in 1812 uitgevonden door de Schotse dominee Robert Stirling.

Hoewel Wardenier er volgens de journalist in 1959 nog blakend uitzag, overleed hij nog geen twee jaar later, op 27 juli 1960, in het Diaconessenziekenhuis in Meppel aan een niervergiftiging. In de decennia na zijn dood nam het verhaal over Wardenier mythische vormen aan, mede door publicatie van het boek Het Mysterie Wardenier van Han Wielick en Henk Ymker uit 1984. De schrijvers zwijgen over de dubieuze grootspraak, oplichterij en autodiefstallen en gaan gretig aan de haal met alle sterke verhalen, geruchten en ongefundeerde speculaties.

OOSTFRONT

De werkelijk geschiedenis van Wardenier wordt momenteel opgetekend door René de Rooij, op basis van jarenlang onderzoek. Hij is bijzonder kritisch en zegt dat de 'zogenaamde motor' nooit heeft gefunctioneerd. De Rooij ontkracht ook de mythe van Wardenier als verzetsheld. Sterker nog, hij vond lidmaatschapskaarten van de NSB en NSKK (Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps), waar Wardenier van oktober 1940 tot en met februari 1943 voor werkte en tweemaal voor aan het oostfront diende. Ook de gevangenschap in Siegburg had niets met vezetsactiviteiten te maken. Het boek van De Rooij en Schilperoord zal voor eens en voor altijd afrekenen met het 'mysterie-Wardenier'.